Een kaartspel als intervalvorm
Wil je deelnemers echt verleiden om tempo te maken, voeg dan een spelelement toe. Een van de favoriete van Mette is het kaartspel. Ze neemt een gewoon kaartspel mee, inclusief de bridgekaarten waar de speluitleg op staat. De groep wordt opgedeeld in drietallen. Iedereen krijgt de opdracht om een parcours te lopen en kaarten op te halen. Die kaarten worden random meegegeven. Na vijf tot zeven minuten, of als de stapel op is, telt elk drietal de punten.
De puntentelling maakt het spel eerlijk. Een gewone kaart telt voor het aantal punten dat erop staat, de aas, koning, dame of boer telt voor 10 punten en een joker telt voor 15 punten. Voor de bridgekaarten met speluitleg moet je 10 punten aftrekken. Een snelle loper haalt misschien meer kaarten op, maar kan er ook een paar kaarten met minpunten pakken. Zo blijft iedereen gemotiveerd, ook wie niet de snelste is. Tip: verdeel de snelste lopers vooraf over de drietallen, anders wint het team met de snelste lopers altijd moeiteloos.
Volgens Mette werkt zo'n wedstrijdvorm vaak beter dan simpelweg zeggen dat mensen moeten versnellen: zodra deelnemers met het spel bezig zijn, gaan ze vanzelf harder lopen, omdat ze meer gericht zijn op de opdracht dan op de inspanning zelf.